DOSSIER


‘Het mooiste aan het vak van actuaris is de maatschappelijke relevantie’

‘Hou het simpel, de pensioenregelingen, de rekenmodellen en de wetgeving’, adviseert Actuaris van het Jaar 2018 Agnes Joseph, actuaris bij Achmea Pensioenservices. ‘En blijf vooral nadenken.’

Waarom werd je actuaris van het jaar?

‘De actuaris van het jaar wordt gekozen. Er is een vakjury en een publieksstem. Het moet je dus gegund worden. Misschien ben ik opgevallen omdat ik me bij alles afvraag: hoe komt dat? Kan het beter? Ik wil de wereld een beetje mooier maken. Het mooiste aan het vak van actuaris vind ik de maatschappelijke relevantie. De meeste mensen zijn niet met hun pensioen bezig. Voor mij voelt dat als een extra verantwoordelijkheid om het goed te doen. Daar zitten ook ethische kanten aan. Zo heb ik een enorme drijfveer om de pensioensector efficiënter en goedkoper te maken, zodat er meer geld overblijft voor de deelnemers. Maar efficiënt en goedkoper is niet per se in het belang van adviseurs en uitvoerders. Het is moeilijk, maar ik denk dat we heel grote stappen kunnen maken. Daar wil ik graag aan meewerken.’


Waar zijn actuarissen goed in?

‘Wij zijn opgeleid om met onzekerheid te werken en om in complexe situaties goede inschattingen te maken. Maar ons vak is de afgelopen jaren erg veranderd. De regels voor pensioenfondsen zijn de afgelopen tien jaar enorm toegenomen. Vroeger hadden actuarissen meer ruimte om te adviseren. Toen was de hoofdvraag: wat kunnen we doen voor de deelnemer? Nu is de vraag: blijven we binnen de kaders van de wet? Misschien is het werk van een actuaris daardoor wel makkelijker geworden. We kunnen gewoon de regels volgen. Maar ik vind het erg belangrijk om altijd eerst zelf na te denken. Wat is eerlijk? Wat is goed? Vervolgens kijk ik pas of de gewenste oplossing ook binnen de regels past. Ik denk dat actuarissen een grotere rol zouden moeten hebben bij het maken van de regels. Dat is immers òns vakgebied. Ik zou bijna zeggen: vraag aan ons om het toetsingskader op te zetten.’

“Vroeger was de hoofdvraag: wat kunnen we doen voor de deelnemer? Nu is de vraag: blijven we binnen de kaders van de wet?”

Hoe ziet het ideale toetsingskader eruit?

‘Het is belangrijk om de regels dicht te laten aansluiten bij de praktijk. We hebben nu een risicovrije rente. Maar het is goed om je te realiseren dat risicovrije rente iets theoretisch is. Pensioen komt voort uit beleggingsopbrengsten. Maar pensioenfondsen moeten continu rekening houden met de risicovrije rente. Dat heeft nadelen. De dekkingsgraden zijn hierdoor enorm gevoelig voor rentebewegingen. In de beleggingen moeten we van alles doen om die gevoeligheid voor rentebewegingen te compenseren. Je kunt ook anders denken. Welk rendement heb ik nodig om alle pensioenen uit te keren? Dat is het benodigde rendement. En welk rendement kan ik naar verwachting halen? Dat is het verwachte rendement. Die twee moeten goed met elkaar in lijn liggen binnen een fatsoenlijke bandbreedte.’

“Het is goed om je te realiseren dat risicovrije rente iets theoretisch is.”

Schaffen we de dekkingsgraad af?

‘Dat kan. De sturingsregels voor pensioenfondsen kun je ook vormgeven op basis van benodigd rendement. Als je 1% rendement nodig hebt en je verwacht 4%, dan zie ik bijvoorbeeld niet waarom je niet kunt indexeren. Je moet wel restricties zetten op het verwachte rendement, want dat mag je niet mooier maken dan het is. Maar die restricties zijn er al. In de herstelplannen voor pensioenfondsen werken we ook met verwachte rendementen. Daarvoor gelden maximale parameters. En stel dat je benodigd rendement 4% is en je verwacht 3,5%, dan zul je pensioenen moeten verlagen. Doe je de korting zodanig dat jong en oud vóór en na korting een gelijk benodigd rendement hebben, dan levert een jongere procentueel meer in dan een oudere. Daarmee stabiliseer je het pensioen van ouderen. Jongeren hebben een langere horizon en lopen meer risico. Maar in goede tijden krijgen zij ook een veel hogere plus.’


Wanneer wordt het benodigd rendementskader ingevoerd?

‘Dit idee is echt supersimpel. Ik denk ook dat het makkelijker uit te leggen is aan deelnemers dan het huidige kader. En voor de sector is het idee ook heel innovatief. Ik heb in 2010 voor het eerst een toezichtkader op basis van benodigd rendement gepubliceerd en sindsdien kom ik het begrip soms tegen in verslagen van pensioenfondsen. Maar ik krijg het niet echt op de agenda van beleidsmakers. Mensen denken snel dat het idee te veel risico kent en schuiven het opzij. Bovendien heeft iedereen het superdruk. Dat begrijp ik wel. Daarom heb ik het zelf ook weer een tijd aan de kant geschoven. Maar het zou goed zijn om na te denken of het kader op zo’n innovatieve manier vernieuwd kan worden.’


Rekenen actuarissen zelf nog wel eens?

‘Natuurlijk rekenen we zelf. Met behulp van computers. Computers kunnen tegenwoordig zoveel meer dan vroeger. Daardoor konden we de modellen steeds ingewikkelder maken en steeds meer details inbouwen. We kunnen méér uitrekenen, maar het black box gehalte van de modellen is tegelijkertijd enorm toegenomen. Complexe modellen zijn technisch erg leuk, maar ze geven niet altijd extra inzichten. De vuistregels van vroeger zijn een stuk goedkoper en werken ook nog goed. Die waren misschien wel briljant. Bij ieder model is het bovendien belangrijk om in gedachten te houden dat uit modellen niet de harde waarheid komt. Hoe ingewikkeld je het model ook maakt, modellen zijn slechts versimpelde weergaven van de werkelijkheid. Het zijn hulpmiddelen om inzicht en begrip te krijgen. Je moet logisch blijven nadenken en niet alleen op modellen vertrouwen.’

“Complexe modellen zijn technisch erg leuk, maar ze geven niet altijd extra inzichten.”

Hoe ver kun jij vooruit kijken?

‘Vijf minuten of zo. Voor pensioen moeten we nu zestig jaar vooruit rekenen met een supercomplex model. De wetgever en toezichthouders laten ons iets uitrekenen en doen alsof dat de waarheid is. Er wordt gesproken over realistische en exacte uitkomsten. Alsof de wereld de komende zestig jaar hetzelfde blijft. Dat is natuurlijk totaal onrealistisch. Denk er maar eens aan hoe de wereld er vóór 2008 uitzag. De Ipad bestond bijvoorbeeld nog niet eens. Maar wij denken nu dat we aan een deelnemer kunnen vertellen wat hij over zestig jaar krijgt. Lastig is dat er volgend jaar waarschijnlijk al weer een heel ander bedrag uit de modelberekening komt. Als de deelnemer wil weten hoe dat zit, dan kunnen we dat niet goed uitleggen omdat het model te complex is. Ik denk dat we alles eenvoudiger moeten maken, de pensioenregelingen, de wetgeving en de modellen. Dat zou beter, goedkoper en gemakkelijker zijn.’

“De vuistregels van vroeger waren misschien wel briljant”.

Denken we te weinig na?

‘We denken genoeg na, maar grijpen wel te snel naar rekenmodellen. Vrijwel onbewust zoeken we overal eerst een kwantitatieve onderbouwing voor. Terwijl een kwalitatieve analyse soms eerder tot een goed besluit leidt. Je hoeft namelijk echt niet alles te berekenen. Soms hoef je alleen maar na te denken. Als je bijvoorbeeld verwacht dat aandelen veel rendement opleveren, dan moet je volgens het model ook fors in aandelen beleggen. Daar hoef je niet voor te rekenen. Modellen kennen hun beperkingen. Die zie je vaak pas als je ze zelf gebruikt. Ik heb daarom ook veel interactieve modellen gemaakt voor pensioenfondsbestuurders, een soort flight simulators. Dan zien ze wat er gebeurt als je aan de knoppen van het model draait, bijvoorbeeld een aanpassing van de premie. Dat is heel leerzaam. Je merkt gelijk dat een model inzicht geeft, maar niet de ultieme oplossing. Je moet zelf blijven nadenken. Dat is de belangrijkste les voor pensioenfondsbestuurders.’

Agnes Joseph is actuaris voor de pensioenfondsen bij Achmea Pensioenservices. Daarnaast is ze lid van de commissie Actuariaat van de Pensioenfederatie, research fellow bij Netspar en docent bij het Actuarieel Instituut, Stichting Pensioen Opleidingen en Nyenrode. Joseph studeerde econometrie, actuariaat en algemene economie. En ze ging naar het conservatorium; ze speelde contrabas in het Nationaal Jeugdorkest. Op muzikaal gebied doet ze professioneel niets meer, maar ze speelt thuis voor haar plezier gitaar en piano. Met haar kinderen (10 en 12 jaar) maakt ze computerspelletjes, zoals een escaperoom voor pensioenfondsbestuurders. ‘Mijn kinderen zijn wiskundig slim, net als ik. Maar ik denk dat zij slimmer zijn. We gaan het zien.’ Met haar man, die meubelmaker is, koopt ze huizen, die ze samen opknappen voor de hobby. Is ze handig? ‘Vergeleken met mijn man niet, maar vergeleken met andere actuarissen denk ik wel.’