INTERVIEW


‘Pensioen is een belangrijke arbeidsvoorwaarde’

‘De houdbaarheid van de verplichtstelling staat wat mij betreft niet ter discussie’, zegt Erik Lutjens, hoogleraar Pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Lutjens deed samen met zijn collega Fieke van der Lecq, hoogleraar Pensioenmarkten, voor Netspar onderzoek naar alternatieven voor de huidige verplichtstelling van bedrijfstakpensioenfondsen.

U geldt als voorstander van de verplichtstelling. ‘Ja, dat ben ik al jaren. De belangrijkste reden is dat het sociaal belangrijk is dat werknemers tegen goede voorwaarden een adequaat pensioen kunnen krijgen via hun werkgever. Niet alleen een oudedagspensioen, maar ook een nabestaandenpensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen. Verplichte deelneming is daar het beste middel voor. Het creëert grote participatie en je kunt risico’s spreiden. Pensioen is een belangrijke arbeidsvoorwaarde. Collectieve afspraken via sociale partners zijn essentieel om de solidariteit te behouden. Een andere optie is er niet. Het belang van de sociale partners is in het hele arbeidsrecht erkend, dus ook in het pensioenrecht. De sociale partners zitten aan het roer en moeten aan het roer blijven.’ Is de huidige verplichtstelling nog houdbaar? ‘Wat mij betreft wel. Ik weet dat sommigen zich afvragen of de verplichtstelling houdbaar blijft als de doorsneesystematiek wordt afgeschaft, conform de afspraken uit het Pensioenakkoord. De verplichtstelling is in principe een maatregel die inbreuk maakt op de vrije mededinging op de pensioenmarkt, omdat voor de uitvoering een monopoliepositie is gegeven aan de bedrijfstakpensioenfondsen. Die monopoliepositie is strijdig met het mededingingsrecht. Toch is zo’n monopoliepositie mededingingsrechtelijk te rechtvaardigen als de bedrijfstakpensioenfondsen een taak uitvoeren die sociaal-economisch van belang is en die taak alleen dankzij de verplichtstelling kan worden uitgevoerd. Daar is nader invulling aan gegeven: als er sprake is van voldoende deling van goede en slechte risico’s. Dus delen van langlevenrisico, vroegoverlijdenrisico, arbeidsongeschiktheidrisico, beleggingsrisico, faillissementsrisico. Als er voldoende van dat soort elementen blijven, is de verplichtstelling Europees rechtelijk houdbaar. En volgens mij blijven die elementen er in voldoende mate.’ Daar gaat uw onderzoek niet over. ‘De vraag was niet: is de verplichtstelling houdbaar? Maar: als er reden is om na te denken over een alternatief, wat is dan een mogelijk alternatief? Op welke manier kunnen we de tweede pijler dan invullen? Het ene uiterste is niets verplicht stellen. Dan is er geen sociale bescherming, dus dat is geen wenselijk scenario. Een andere mogelijkheid is dat werkgevers het afzonderlijk regelen. Voor kleine werkgevers is het onmogelijk om tegen economisch aanvaardbare voorwaarden een collectieve pensioenregeling op te zetten. Het beste alternatief is een vorm van verplichtstelling. Als dat niet kan zoals nu, kunnen sociale partners op bedrijfstakniveau een pensioenregeling afspreken. Die pensioenregeling kan vervolgens via een verbindend verklaring, vergelijkbaar met de verbindend verklaring van een cao, verplicht gesteld worden voor iedereen die in die bedrijfstak werkzaam is.’

'De sociale partners moeten aan het roer blijven'

Erik Lutjens, Hoogleraar Pensioenrecht


‘De verplichtstelling is houdbaar, ook als de doorsneesystematiek is afgeschaft’
‘Als je eerlijke toegang wilt, moet je de pensioenregeling èn de uitvoerder verplicht stellen’

Erik Lutjens, Hoogleraar Pensioenrecht

Wie voert de pensioenregeling uit? ‘Nu is er een dubbele verplichtstelling: de regeling en het fonds. Als de verplichtstelling alleen geldt voor de regeling, is er keuzevrijheid voor de uitvoering. Ook daar zijn weer allerlei varianten van individualisme en collectiviteit denkbaar. In het meest individuele geval kiest elke werknemer zelf een uitvoerder. Dat is ongewenst, want een individuele werknemer heeft onvoldoende onderhandelingskracht en deskundigheid om goede verzekeringsafspraken te maken en het zou tot een enorme versnippering in de uitvoering leiden. De werkgever een uitvoerder laten kiezen voor alle werknemers in het bedrijf is ook geen ideale oplossing. Grote werkgevers kunnen goede afspraken maken, maar kleine niet. Een andere mogelijkheid is dat de sociale partners in een pensioen-cao bepalen wie de uitvoerder is.’ Waar zullen de sociale partners dan voor kiezen? ‘Dan is er vrije concurrentie. De sociale partners zullen de uitvoerder kiezen die het beste aanbod doet, de beste dienstverlening tegen de beste prijs. En waarin ze het meeste vertrouwen hebben, bijvoorbeeld omdat het bestuur uit sociale partners is samengesteld. Het zou best kunnen dat sociale partners dan hun huidige bedrijfstakpensioenfonds kiezen. De keuze van de sociale partners voor de uitvoerder is alleen bindend voor de georganiseerde werkgevers. Het bezwaar daarvan is dat niet-georganiseerde werkgevers een goedkopere uitvoerder zoeken, bijvoorbeeld een verzekeraar die alleen goede producten biedt voor de goede risico’s. Dan blijft het bedrijfstakpensioenfonds zitten met de slechte en dure risico’s. Dat is sociaal-maatschappelijk ongewenst. Dit voorkom je door de keuze van de sociale partners dwingend op te leggen aan alle werkgevers. Dan bereik je hetzelfde als nu, alleen de weg ernaartoe is anders. Dan is er niet meer door wetgeving een monopoliepositie van alleen het bedrijfstakpensioenfonds als mogelijke uitvoerder en is er ook geen discussie meer over mededingingsrecht.’ Van individueel naar collectief. Wat is de beste variant? ‘Dat is uiteindelijk aan de politiek. Maar collectiviteit heeft sociaal en maatschappelijke grote voordelen. Als je een eerlijke toegang wilt van alle risico’s tegen een goede prijs, moet je zowel de pensioenregeling als de uitvoerder verplicht stellen. Alleen geldt voor de uitvoering dan niet één aangewezen bedrijfstakpensioenfonds. De sociale partners maken de keuze uit alle toegelaten aanbieders en die keuze wordt dwingend opgelegd.’ Lost dit ook het probleem van de witte vlek op, de werknemers zonder pensioen? ‘Er zijn altijd sectoren zonder collectieve afspraken. Als het doel is dat de witte vlek geheel verdwijnt, moet je rechtstreeks een wettelijke pensioenplicht opleggen. Een alternatief is wat in het arbeidsrecht driekwart dwingend recht heet. Dan geldt er bijvoorbeeld een wettelijke pensioenplicht voor iedereen. Elke werkgever en elke zelfstandige moet een bepaald percentage van het salaris of de winst opzij zetten voor het pensioen, tenzij er bij cao andere afspraken gemaakt zijn. Dat is mijn ideaalbeeld. Enerzijds de vrijheid van sociale partners om zelf afspraken te maken en die afspraken prevaleren boven de wet. Maar als die afspraken er niet zijn, val je onder de wettelijke verplichting. Dan heb je het beste van twee werelden.’